directeur Meromar Seafoods BV, Harlingen
Niet bijten
Velen zien een ondernemer
als een gevaarlijke wolf
die men zou moeten doodslaan
Anderen zien in hem een koe
die men eindeloos kan melken
Slechts weinigen zien in hem
een paard die de wagen trekt
Zo lees ik op een ingelijst borduurwerkje dat hangt in de ontvangstruimte van schelpdierbedrijf Meromar Seafoods. De toon is gezet, zo denk ik, nog voordat ik André Seinen, directeur van het bedrijf, heb ontmoet. Bij het begin van het gesprek maakt hij me duidelijk dat hij niet wil spreken over de aanhoudende controverse tussen de visserij en de natuurbeweging. Alles wat ik op basis van het interview publiceer, wil hij van tevoren lezen en van goedkeuring voorzien. Ik durf niet meer te vragen of ik het gesprek op band mag opnemen.
André blijkt echter een aanstekelijk verteller te zijn die er in slaagt sympathie te wekken als het gaat om de wisselvallige geschiedenis van de economische bedrijvigheid van hem en zijn familie. De vader van André blijkt in de jaren tachtig en negentig in Nederland en Duitsland een bloeiend, internationaal bedrijf gehad te hebben in de vangst, verwerking en afzet van schelpdieren. Daar kwam midden jaren negentig abrupt een einde aan, mede doordat, zonder echte compensatie, de rechten om op kokkels te vissen in de Duitse Waddenzee werden ingetrokken. Het bedrijf van zijn vader ging in 1996 failliet. André, zijn vader en zijn broer stonden er helemaal alleen voor. Met één schip, en met schulden, trokken ze er met z'n drieën op uit. Met alleen de hoop opnieuw iets op te bouwen. Soms moesten ze zelf opereren als loonvisser, maar dat was pure armoede, zo verzekert André me. Een voordeel was wel dat ze van oudsher vertrouwd waren met de Spaanse markt: in vergelijking met Nederland weet men in Spanje een veel breder assortiment aan schelpdieren te waarderen: nonnetjes, kokkels én mesheften. De familie Seinen slaagde er via trial and error in te vissen op laatstgenoemde soort. Ook in de kokkelvisserij kwamen ze op nieuwe ideeën. Ook daar was en is de Zuid-Europese markt het belangrijkste afzetgebied. Een belangrijke stap wist de familie te maken toen ze na enkele jaren bij een visverwerkende fabriek in IJmuiden ruimte kregen om de eigen vangsten te verwerken en op de Spaanse markt af te zetten. André ging daarvoor definitief van boord. Langzaam ging het weer bergopwaarts en in 2002 kon in Harlingen een fabriekje worden geopend. Van groot belang voor de uitbouw van het bedrijf was het verdwijnen in 2003 van het Wad van de mechanische kokkelvisserij. Het traditionele handkokkelen kreeg daardoor de ruimte. André is afnemer van vier handkokkelaars die vanuit de haven van Harlingen werken. In 2006 bouwde hij een nieuw en groter bedrijfspand.
André maakt me op hoofdlijnen deelachtig aan de werking van de markt sinds het verdwijnen van de mechanische kokkelvisserij. "Natuurlijk bood de uitkoop van de kokkelvissers kansen voor de handkokkelaars. Alleen bestaande vergunningen werden verlengd en zij konden hun productie vergroten. Ik denk dat ze voor het eerst hun kostje bij elkaar konden schrapen. Ze hoefden niet noodzakelijk buiten de seizoenen om nog ander werk te verrichten of te vertrouwen op het betaalde werk van een partner of familie. Dat lijkt positief, maar een groot deel van het aanbod viel weg en daardoor schoten de prijzen omhoog. Ik denk dat er sprake was van een verviervoudiging van de prijs. Daardoor verminderde de vraag: kokkels werden te duur voor de Spaanse consument. De markt is intussen gehalveerd. Het wegvallen van de goedkope Nederlandse kokkels betekende ook dat het lucratief werd kokkels te oogsten in andere gebieden, zoals Engeland. De koers van het Pond helpt ons daarbij niet. Daar komt bij dat sinds twee jaar voor Nederland sprake is van een quotum. Tot slot", en André kan zijn verbazing en verontwaardiging niet verbergen, "deden de oude kokkelvissers opnieuw hun intrede: zij kregen namelijk niet alleen een enorme zak met geld mee maar nota bene ook tien vergunningen voor handkokkelen! Hoe ze dat voor elkaar kregen, mag jij me vertellen". Intussen zijn de kokkelprijzen met 25 tot 40% gedaald. "Alle voedselprijzen zakken immers".
Ik bespreek met André de mogelijkheden tot exploitatie van de Japanse oester. "Het grote voordeel van oesters is dat ze makkelijk te bewaren zijn. Japanse oesters zijn ook veel beter van smaak dan de Zeeuwse. Het probleem is echter dat je in de Wadden groter afstanden moet afleggen om ze te rapen en dat maakt ze kostbaar". André is echter blij met de experimentele vergunningen voor het rapen van oesters voor de handkokkelaars en enkele andere kleine vissers. Hij heeft over de mogelijkheden wel een goed gevoel. Maar een grote markt zal het nooit worden, zeker niet in Nederland. Buiten mosselen eten Nederlanders eigenlijk niets van wat aan de andere kant van de dijk te vinden is. "Voor Nederlanders mag er bijvoorbeeld geen korreltje zand in een schelpdier zitten. Dat komt omdat ze er in bijten, terwijl je eigenlijk, zoals de Spanjaarden dat doen, alleen je tong en gehemelte moet gebruiken".
Verwijzingen: www.meromar.nl.
architectuurhistoricus en publicist
Prikkelen
In Leeuwarden spreek ik met Peter Karstkarel, schrijver van een indrukwekkend, encyclopedisch oeuvre over dorpen en kerken in Friesland en Groningen. Opnieuw tijdens mijn reis vormt de onzekere toekomst van de vele kerkgebouwen in Noord-Nederland een belangrijk thema van gesprek. Overeenkomsten én verschillen in aanpak tussen Groningen en Friesland worden me daarbij duidelijk. Peter heeft er voor gezorgd dat we vrij precies weten welk gevaar de kerkgebouwen in Friesland lopen, het gebied met de hoogste dichtheid van kerken in de wereld. De getallen zijn indrukwekkend. In de komende tien jaar zullen meer dan honderd kerken hun oorspronkelijke functie verliezen, terwijl er al tientallen leegstaan. Het bezit van de Alde Fryske Tsjerken, de tegenhanger van de Oude Groninger Kerken, niet uitgezonderd. Hij noemt een voorbeeld. "k ken een klein kerkbestuur van de PKN in een hoek van Littenseradiel dat eigenaar is van zeker zes monumentale kerken in vrijwel even zovele dorpen. Daarvan zijn er zes met een monumentale status. Ze hebben echter maar 30 lidmaten en ze weten geen opvolgers te vinden voor vrijvallende bestuursfuncties. Dat is een echte noodsituatie waaruit het bestuur zelf geen uitweg weet. Daar is hulp van buiten nodig". Peter is vertrouwd geraakt met de problematiek door het onderzoek dat hij vorig jaar heeft verricht voor de Oude Kaart van Nederland, een brede inventarisatie van leegstand van cultuurhistorische waardevolle gebouwen in Nederland.
Uit het onderzoek kwam voor Friesland overigens ook een positief resultaat. Peter wist binnen de provincie niet meer dan 21 boerderijen van monumentale of grote cultuurhistorische waarde te vinden die leeg staan of in ruïneuze staat verkeren. Dat is maar 0,2% van de voorraad. Daarmee is de situatie in Friesland het meest gunstig van Nederland. Groningen steekt echter zeer negatief af bij de Friese situatie. Peter beschrijft een situatie in het Oostgroninger Hamdijk waar aan één lange weg wel 12 boerderijen staan, waarvan een stuk of vijf leeg staan en een paar zelfs bijna tot ruïne vervallen zijn. Dat heeft uiteraard te maken met verschillen in de sociaal-economische situatie, maar vooral met de gemiddelde omvang van de boerderijen. De enorme boerderijen in Oost-Groningen lenen zich slecht voor herbestemming. De Friese boerderijen daarentegen zijn in grootte meer gemiddeld en kunnen beter worden ingedeeld voor bewoning door meerdere gezinnen.
Terug naar de kerken. Ik vertolk de rol van advocaat van de duivel. "Is het niet vanzelfsprekend dat het zeer ingrijpende en onomkeerbare proces van de ontkerkelijking zichtbaar wordt in onze gebouwde omgeving en dat vele kerken zullen verdwijnen?" "Nee!", zo reageert Peter fel. "Je moet beseffen dat de kerk meer dan duizend jaar het centrum van de lokale gemeenschap is geweest. Dat is voor mij de belangrijkste functie van het gebouw en dan maakt het voor mij weinig uit of dat op een religieuze voorstellingswereld teruggaat of niet". Het onderbrengen in de kerk van collectieve voorzieningen is dan ook de oplossing die Peter voor zich ziet. Ik werp tegen dat juist in Friesland - en veel meer dan in Groningen - van oudsher een goed functionerend netwerk van dorpshuizen bestaat. "Dat is maar heel betrekkelijk. Ik noem je het voorbeeld van Lollum. Daar heb je de oude kerk en een grote kerk uit de tijd van de doleantie, beide nu van de PKN. Er is ook een dorpshuis, maar de exploitatie is afhankelijk van de verhuur over meerdere avonden aan de biljartvereniging. Eigenlijk fungeert het als een goedkoop café en dat staat op gespannen voet met het gebruik door het koor, de toneelvereniging en het muziekkorps. Het zou het meest zuiver zijn als je van het dorpshuis weer een echt café maakt en één van de kerken herbestemd tot een echt dorpshuis waar iedereen gebruik van kan maken. Gelukkig ziet de dominee dit ook en hij werkt nu aan een plan waarin de grote kerk omgezet wordt in appartementen en een dorpshuis. Ik hoop dat het een pilot project wordt als de provincie straks geld uittrekt voor het probleem van de kerken."
Peter ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de publieke discussie over de toekomst van de kerken aan te jagen. "Mijn stelling is niet dat alles bewaard moet blijven. Ik vraag van de mensen wel dat ze nadenken en dat ze zich bewust zijn van de mogelijkheden en van de keuzes die gemaakt worden. Afbraak mag geen vanzelfsprekendheid zijn". Als Peter zich bemoeit met specifieke gevallen, is hij echter terughoudend. "Ik breng via lezingen graag de waarde van de kerkgebouwen, ook die uit de periode van de Wederopbouw, onder de aandacht van mensen maar ik zeg nooit hoe ik denk dat het moet. Ik prikkel ze en ik hoop erop dat de mensen in het dorp zich verantwoordelijk gaan voelen en zelf initiatief nemen. Levensvatbare initiatieven, zo is mijn stellige overtuiging, kunnen alleen van onderop komen".
Jos Bazelmans is te beluisteren in de uitzending van het programma Omnium, waar hij verteld over zijn boeiende reis lang het waddengebied.