Landbouw op de kwelders

Door: Hans Revier
Datum: 30 maart 2017

Grazende koeien in de kwelder bij Noorderleeg. Foto: Henk Postma

Grazende koeien in de kwelder bij Noorderleeg. Foto: Henk Postma

Kwelders vormen de gouden rand van de Waddenzee. Waar ze nu vooral als natuurgebied, met her en der wat grazend vee, worden beheerd, gebruikten de eerste bewoners deze gebieden zeer intensief. Archeobotanisch onderzoek in en op de terpen geeft een beeld van de plantensoorten die de terpbewoners er in vroeger tijden verbouwden.

Terpenonderzoek

Vanaf het jaar 600 BC is het uitgestrekte kweldergebied van Friesland en Groningen gekoloniseerd. De eerste bewoners vestigden zich op hoge kwelderruggen en wierpen later terpen op om periodes met hoog water te doorstaan. In de negentiende eeuw zijn veel van deze terpen –ruim 2000 in Nederland– afgegraven. De vruchtbare terpaarde kon men goed gebruiken in voedselarme landbouwgronden. Tijdens deze afgravingen vond men tal van voorwerpen afkomstig van de vroegere bewoners. In 1835 ziet de eerste publicatie het licht waarin melding wordt gemaakt van zaden- en plantenresten. Vanaf 1916 vindt systematisch archeologisch onderzoek aan de terpen plaats. Uit dit archeologisch en archeobotanisch onderzoek kan een goed beeld gevormd worden van hoe de terpbewoners konden voorzien in hun levensonderhoud. Zo vormden o.a. de wadvogels een belangrijke voedselbron (zie ook Wadweten Wadvogels als koningsvoedsel).

Granen

Uit bestudering van monsters terpaarde van verschillende opgravingen blijkt dat de terpbewoners zowel in het wild levende planten gebruikten als zelf planten verbouwden. Gerst is in dit verband de meest aangetroffen graansoort. Naast gerst komt emmertarwe, een vroege voorouder van onze moderne tarwe, veel in de monsters voor. Dat emmertarwe werd verbouwd leidt men o.a. af uit de vondst van plantenresten als kleine brandnetel en varkensgras die exemplarisch zijn voor in cultuur gebrachte landschappen. Broodtarwe verschijnt pas in de Late Middeleeuwen. Het zelfde geldt voor haver. Pas vanaf de Volle Middeleeuwen is er sprake van min of meer constante aanwezigheid van haver in de monsters.

Cannabis

Uit het terpengebied zijn twee soorten peulvruchten bekend. Het meest algemeen is de tuinboon. Vooral een kleine variant daarvan, de zogenaamde duivenboon, werd verbouwd. Ook erwten treft men in monsters uit de 11e en 12e eeuw aan. Vlas is wijdverspreid en komt voor op vindplaatsen die dateren uit de vroegste fasen van bewoning. Het voorkomen van deze vezelplant leidt men vooral af uit de vondst van zaden en fragmenten van vruchten.  Recent is de ontdekking van zaden van hennep (Cannabis sativa) in de monsters. Deze plant is zeker vanaf de Romeinse tijd aanwezig in het terpengebied. Vezels van hennep zijn aangetroffen in de vorm van een touw om de hals van een pot uit het begin van onze jaartelling die bij Sneek is opgegraven. Ten slotte mag de huttentut (Camelina sativa) niet onvermeld blijven. Dit is een oliehoudende plant, vaak voorkomend als onkruid op vlasakkers. Maar uit de vondst van grote hoeveelheden vruchtfragmenten in een monster leidt men af dat deze soort werd verbouwd en de vruchten gedorst.

Van sommige planten is niet bekend of ze werden verbouwd of als wilde plant geoogst. Bieten, wilde peen en zwarte mosterd komen van nature in het kweldergebied voor. Uit het onderzoek naar zaden- en plantenresten in terpaarde komt het beeld naar voren dat het terpen- en wierdengebied in hoge mate zelfvoorzienend was. De bewoners van deze gebieden gebruikten hun leefomgeving zeer intensief. Men stak zoden voor de bouw van onderkomens, ving vogels, raapte eieren en wist kleine delen van de kwelders in cultuur te brengen.

Bronnen