Being at the right place at the right time: interpreting the annual life cycle of Afro-Siberian red knots

Auteur: Jutta Leyrer
Datum: 3 oktober 2011
Universiteit: Rijksuniversiteit Groningen

Overwintering in West-Afrika gevaarlijker dan gedacht voor de kanoet

Het lijkt erop dat niet de ultralange trektocht van de kanoet de hoogste tol eist onder de populatie, zoals algemeen gedacht werd, maar dat de meeste sterfte pas optreedt na aankomst in het overwinteringsgebied, concludeert Jutta Leyrer. Zij bracht de gevaarlijke en voorspoedige momenten in de jaarlijkse levenscyclus van de steltloper in kaart.

Leyrer deed onderzoek naar een van de zes ondersoorten van de kanoet, de Afro-SiberischeCalidris canutus canutus. Deze trekvogel vliegt jaarlijks zo’n 4000 tot 5000 kilometer van zijn broedgebied in Noord-Siberië naar zijn overwinteringsplek aan de kust van West-Afrika. Én weer terug. Onderweg moet er bijgetankt worden en in het voorjaar is de Duitse Waddenzee bij Sleeswijk-Holstein daarvoor de belangrijkste pleisterplaats. Verondersteld wordt dat hier in het voorjaar, in de tweede helft van mei, de geheleC. canutus canutuspopulatie een tussenstop maakt om op te vetten.

Een belangrijke periode in de jaarlijkse cyclus is de timing van aankomst in de broedgebieden op zodanige wijze dat het opgroeien van de kuikens samenvalt met de piek in de voedselvoorziening op de Siberische toendra. Teveel tegenwind kan de aankomst verlaten en bovendien extra sterfte onderweg veroorzaken. Leyrer ontdekte echter dat de vogels voor deze noodsituaties gebieden in hun reisschema inpassen waar zij extra kunnen foerageren. Ook aan te veel gevaar van roofvogels bieden de kanoeten flexibel het hoofd, door op een eerder moment dan gebruikelijk te vertrekken van een pleisterplaats.

Dat juist de tropische, voedselrijke overwinteringsgebieden in West-Afrika niet zo comfortabel blijken voor de langeafstandstrekkers, is een verrassing. Leyrer zoekt de oorzaken in een samenspel van fysiologische en 'sociale' factoren: de vogels zijn verzwakt en sterk vermagerd door de trektocht, ze ruien na aankomst en moeten acclimatiseren in het warme en vochtige weer én ze moeten vechten om een goed foerageergebied.

Leyrer wijst dan ook op het belang van veilige en voedselrijke foerageergebieden in de Waddenzee. Deze zijn een voorwaarde voor een succesvol broedseizoen en dus voor de handhaving van de populatie.

Jutta Leyrer (Duitsland 1973) studeerde aan de universiteit van Oldenburg. Haar promotieonderzoek deed zij aan de Rijksuniversiteit Groningen, bij de afdeling Dierecologie van het Center for Evolutionary and Ecological Studies, en bij de afdeling Marine Ecologie van het NIOZ. Het onderzoek werd gefinancierd door MAVA, de Zwitserse stichting voor natuurbescherming en door het NIOZ. Inmiddels werkt zij als postdoc in Australië bij de Deakin University.

Download het volledige proefschrift (pdf 12,2 Mb).