State-dependent life-history strategies; a long-term study on Oystercatchers

Auteur: Martijn van de Pol
Datum: 14 juli 2006
Universiteit: Rijksuniversiteit Groningen

Scholekster met goed huwelijk succesvoller
Scholeksters zijn langlevende (soms wel 35 jaar) kust- en weidevogels, die ieder jaar hetzelfde territorium verdedigen en daar hun jongen grootbrengen. Veel van deze zwart-witte steltlopers blijven hun hele leven bij dezelfde partner, al is overspel en scheiding zeker geen onbekend fenomeen. Op het eerste gezicht mogen de vogels gelijk lijken, ze blijken allemaal een ander levensverhaal te hebben, afhankelijk van hun afkomst, de keuzes die ze maken en het lot.

Martijn van de Pol deed onderzoek naar de levensloop van een groot aantal individuen uit een groep scholeksters op Schiermonnikoog waarvan al sinds 1983 de 'burgerlijke stand' is bijgehouden. Hij ontdekte dat hoe langer vogelparen bij elkaar zijn, hoe succesvoller zij jongen grootbrengen. Tijdens hun verbintenis kan de jaarlijkse productie van jongen zelfs verdubbelen. Wellicht is dat omdat de partners goed op elkaar ingespeeld zijn geraakt en bovendien steeds minder vreemd gaan. Van de Pol constateerde ook dat de relatie van scholeksterstellen die vanaf het begin al veelvuldig vreemd gaan, vaak geen lang leven beschoren is. Flierefluiters planten zich dan ook minder goed voort. Dat afkomst zeer bepalend is, concludeert Van de Pol uit het feit dat vogels die in een goed territorium opgroeiden niet alleen meer overlevingskansen in hun eerste jaren hebben, maar ook later in hun leven. Na tien jaar blijken de vogels uit 'een goed milieu' vier keer zoveel kans te hebben een goed territorium te bemachtigen dan leeftijdsgenoten die opgegroeid zijn in 'de achterbuurten'. Vogels die geboren zijn in een goed milieu voeden hun eigen jongen dus vaak ook op in een goed milieu, een vorm van sociale overerving.

Het gaat overigens erg slecht met de scholeksters in Nederland. Zo nam het aantal broedvogels op Schiermonnikoog tussen 1983-2004 gemiddeld met 4,6 procent per jaar af. Dit betekent dat de broedpopulatie elke 15 jaar halveert. Oorzaak is voornamelijk de lage overlevingskans van de eieren, die weer sterk samenvalt met een afname van de belangrijk­ste voedselbronnen en conditie van de ouders. Ouders zouden daardoor meer tijd nodig hebben voor het zoeken van eten voor zichzelf en minder tijd over hebben voor het bewaken van de eieren. Waarschijnlijk is een belangrijke factor dat de verslechterde omstandigheden in de overwinteringsgebieden (verdwijnen van mossel- en kokkelbanken) negatief doorwerken op de conditie van de vogels tijdens het broedseizoen.

Download de pdf van dit proefschrift (pdf 3,2 Mb).