Grootte bepaalt overlevingskansen van jonge schelpdieren

Een klein verschil in lichaamsgrootte heeft een grote invloed op de overlevingskans van jonge schelpdieren, concludeert Henrike Andresen in haar proefschrift. Zij onderzocht predatie door kreeftachtigen op tweekleppige schelpdieren in de vroege fase van het bodemleven. Op 8 januari zal Andresen haar proefschrift verdedigen aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Veldexperiment met kooien. Foto: NIOZ

Veldexperiment met kooien. Foto: NIOZ

Achtergrond
Het aantal tweekleppige schelpdieren in de Waddenzee schommelt sterk van jaar tot jaar. De verschillen ontstaan vooral in de eerste maanden van het leven van de schelpdieren, wanneer ze nog klein zijn en ze zich net vestigen in de wadbodem.
In zomers na een hele koude winter bleken er meer schelpdieren te overleven dan na een gematigde winter. Na een koude winter zijn er minder predatoren van de kleine schelpjes, zoals Noordzeegarnalen en strandkrabben, die ook later in het jaar op het wad aankomen. De jonge schelpdieren zijn dan in staat om al wat groter te groeien, waardoor ze minder snel opgegeten worden door deze garnalen en krabben.

Gevolgen van klimaatverandering
Tweekleppige schelpdieren maken een groot deel uit van de bodemdieren in de Waddenzee. Ze zijn ook een belangrijke voedselbron voor trekvogels. Door klimaatverandering lijkt het erop dat kreeftachtigen steeds vroeger in de Waddenzee aankomen, waardoor de schelpdiertjes steeds minder kans krijgen. Dit kan ook grote gevolgen hebben voor de trekvogels in de Waddenzee.

Promotieonderzoek
In haar promotieonderzoek heeft Henrike Andresen de rol van de lichaamsgrootte in deze predator-prooi-relatie nader onder de loep genomen. Hiervoor werden verschillende onderzoeksmethoden gecombineerd.
Met een mathematisch model dat grootteafhankelijke vraat door garnalen veronderstelt, was het in veel gevallen mogelijk op het wad geobserveerde groottesamenstellingen van jonge schelpdieren na te bootsen. Dit laat zien dat predatie door garnalen als een belangrijke sterftebron aannemelijk is.

In een uitgebreid veldexperiment in de Nederlandse en Duitse Waddenzee werden de schelpdieren in de wadbodem met een fluorescerende kleurstof gemarkeerd. Op sommige plaatsen werden ze met een kooi tegen voedselzoekende rovers beschermd. Met het kleuren werd voor het eerst individuele groei van de piepkleine schelpjes gemeten. Doordat nu het effect van groei op de groottesamenstelling bekend was, kon het verdwijnen van kleine individuen aangetoond worden.

De omstandigheden voor predatie leken in het jaar van het veldexperiment heel erg op elkaar tussen de twee onderzoeksgebieden aan de uiteinden van de Waddenzee (Westelijke Nederlandse Waddenzee en Sylt, Noord-Duitsland). Binnen één gebied kunnen er tussen verschillende jaren grote verschillen optreden tussen de groottes van de schelpdieren en de aankomsttijden van de garnalen en krabben. Uit gegevens van verschillende onderzoeken blijkt dat in sommige jaren massaal kleine schelpdieren kunnen worden gegeten, terwijl in andere jaren de schelpdieren vaak al te groot zijn tegen de tijd dat de garnalen en krabben aankomen.

In aquariumexperimenten werd de consumptie door garnalen op schelpdieren van verschillende groottes en bij verschillende dichtheden onderzocht. Het aantal binnen een korte tijd gegeten schelpjes was enorm hoog. Zelfs bij lage dichtheden lukte het de garnalen goed om hun prooien te vinden. Als de schelpdieren echter een fractie van een millimeter groter waren, was de kans dat ze opgegeten werden, veel kleiner.

Samen laten de deelstudies zien dat het normaal is dat jonge schelpdieren van een bepaalde grootte op grote schaal opgegeten worden. Meestal treft het de kleinste individuen. Het was heel opvallend hoe een klein verschil in grootte al een sterk effect kan hebben.

Download het proefschrift Size-dependent predation risk for young bivalves van Henrike Andresen. Meer waddengerelateerde proefschriften zijn te vinden in het proefschriftenoverzicht.

Henrike Andresen
Henrike Andresen (Hamburg, Duitsland, 1976) studeerde biologie in Rostock en Bremen (Duitsland). Haar promotieonderzoek bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) werd gefinancierd door NEBROC (Netherlands-Bremen-Oceanography) en NWO. Een deel van het praktische werk werd uitgevoerd bij het Alfred-Wegener Instituut op Sylt in Duitsland. Zij woont nu voor drie jaar in Nieuw-Zeeland.