Onderzoek vergelijkend vissen mislukt

Slechts één van de vijftien vakken voor noodzakelijk onderzoek naar de effecten van garnalenvisserij op de bodemfauna blijkt volgens plan onbevist te zijn gebleven.

Visserij in het Waddengebied

In zes vakken is zeker gevist, en in acht vakken vermoedelijk ook. Onderzoeksleidster Ingrid Tulp van IMARES kan maar één conclusie trekken: ,,De opzet van het onderzoek met vergelijkend vissen is dusdanig verstoord dat het zinloos is de resultaten nu verder te analyseren. Erg vervelend voor alle partijen.’’

In maart dit jaar trokken onderzoekers en visserijbestuurders al aan de bel. Onderzoek naar het effect van de garnalenvisserij is broodnodig voor het veilig stellen van een nieuwe vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet. Zonder die NB-wetvergunning mag er volgend jaar niet op garnalen worden gevist in de Natura 2000-wateren Waddenzee, Vlakte van de Raan en Noordzeekustzone. ,,De consequenties kunnen groot zijn. In het ergste geval gaan alle garnalenkotters aan de kant’’, zei een boze en teleurgestelde Vissersbondvoorzitter Johan Nooitgedagt toen in maart duidelijk werd dat vakken toch bevist zijn geweest en het onderzoek daardoor ernstig vertraagd zou worden. Een paar weken eerder werd op de jaarvergadering van vissersvereniging Hulp in Nood nog gejuicht dat er geen verschil was tussen beviste en onbeviste onderzoeksvakken.

In maart werd door IMARES bericht dat in minimaal acht van de experimentele vakken waarschijnlijk gevist is, en dat nader onderzoek nodig was van het MARIN. Uit die nadere analyse van AIS- en radarbeelden blijkt dat de situatie nog erger is dan gevreesd. Er is slechts één vak waar zeker niet doorheen is gevist. ,,Harde conclusies over de mogelijke korte termijn effecten kunnen we voorlopig vergeten’’, aldus Tulp.

De betreffende onderzoeksvakken zijn 600 bij 500 meter groot en liggen in zes gebieden, waarvan drie boven de Waddeneilanden, één in de Waddenzee pal boven de Afsluitdijk, één  in de Noordzeekustzone bij Petten en één in de Vlakte van de Raan. Het doel was in elke vak een deel wel en een deel niette bevissen, en vooraf in juli en na afloop in augustus 2012 te bemonsteren en opnieuw afgelopen voorjaar. Daarnaast is een onderzoeksplot aangewezen in het Molenrak op de Waddenzee, waar in vijf stroken voor onderzoek meer en minder intensief gevist is.

De vraag is: wat nu? Tulp: ,,Om te proberen toch nog iets te leren van de resultaten van het onderzoek uit 2012, wordt MARIN  gevraagd om uit te rekenen hoeveel ongeplande visserij in ieder van de onderzoeksvakken heeft plaatsgevonden. Die gegevens willen we meewegen in de analyse. Of dat lukt hangt wrang genoeg af van het gedrag van de vissers in de onderzoeksvakken. Als daar voldoende variatie in zit, kunnen we hopelijk nog iets zeggen of bepaalde biologische factoren, zoals het voorkomen van soorten, wel of geen verband houden met garnalenvisserij. Zo’n ‘zachte relatie’ heeft veel minder zeggingskracht dan een gecontroleerd experiment. Bovendien had zo’n onderzoek ook zonder experimentele bevissing – en dus veel goedkoper - kunnen plaatsvinden.’’

Naast het vergelijkend onderzoek met experimenteel beviste en onbeviste gebieden, is er ook nog het onderzoek in het Molenrak waarin een gerichte effect-studie heeft plaatsgevonden. Dat gebied blijkt niet verstoord te zijn door vissers. Hier is in een aantal plots met verschillende intensiteit –van heel laag tot heel hoog, gevist. Voor en na de bevissing is het bodemleven intensief bemonsterd. De resultaten van deze studie worden binnenkort verwacht.
Omdat de ongecontroleerde bevissing vóór de geplande tweede bemonstering in maart aan het licht is gekomen, is er nog wel onderzoeksbudget over. Wat de onderzoekers betreft kan daarmee een herhaling van de Molenrak-studie wordt uitgevoerd, ook op een andere locatie. Er wordt ook bekeken of het onderzoek gecombineerd kan worden met geplande experimenten binnen andere onderzoeksprogramma’s (VIBEG, een onderzoeksprogramma gelinkt aan het instellen van gesloten gebieden op de Noordzee en BENTHIS, een EU programma dat o.a. effecten van nieuwe tuigen op de bodem bestudeerd ), waaronder een vergelijking met de garnalenpuls. Inmiddels is duidelijk dat vervolgonderzoek niet meer dit jaar kan plaatsvinden.

Andere onderzoeken
Vanuit de visserij is gevraagd om de bestaande NB-wetvergunning voor de garnalenvisserij met een jaar te verlengen. Daar blijken natuur- en milieuorganisaties tegen gekant te zijn met als argument dat de garnalensector vijf jaar de tijd heeft gehad om resultaten te laten zien. Er wordt hoe dan ook dit jaar een update van de zogeheten passende beoordeling geschreven, waarvoor de consultants Bert Keus en Floor Heinis opdracht hebben gekregen van de Stichting Verduurzaming Garnalenvisserij.

In vijf jaar tijd is er wel wat veranderd in de garnalenvisserij. De zeeflap is bijvoorbeeld jaarrond verplicht geworden. Het vorig jaar verstoorde onderzoek is ook niet het enige vergelijkende onderzoek naar effecten van de garnalenvisserij op de zeebodem. Zo wordt nu gewerkt aan de eindrapportage van garnalenonderzoek in de Voordelta (met de OD 3), dat er gunstig lijkt uit te zien wat visserijeffecten betreft, hoewel ook dat onderzoek verstoord door bevissing van onderzoeksraaien.

Naast de korte termijn directe effecten die onderzocht worden met bovengenoemde onderzoeken, is voor de passende beoordeling ook van belang wat er gebeurt als een gebied een tijd lang onberoerd blijft. Hiervoor wordt al sinds de sluiting in najaar 2005 een relatief veel groter gebied van 7.400 hectare onder de eilandjes Rottumerplaat en Rottumeroog bestudeerd. Ongestoorde geulen worden vergeleken met beviste geulen buiten het referentiegebied (Zuidoost-Lauwers en Spruit). Ook binnen het net gestarte onderzoek in het kader van VIBEG zal de ontwikkeling van de bodem gevolgd gaan worden in de voor visserij gesloten gebieden en vergeleken met die in bevsite gebieden. In de studie bij Rottum zijn na zes jaar bemonsteringen geen significante verschillen gevonden. Dat was ook niet de verwachting, aangezien met het onderzoek slechts een vinger aan de pols gehouden wordt en de bemonsteringsinspanning te laag is om verschillen statistisch hard te kunnen maken. Daarvoor is, gezien de grote verschillen in de gebieden, de grote natuurlijke jaar op jaar variatie en het te verwachten tempo van herstel een veel intensiever bemonsteringsprogramma nodig.