Trekvogel bewaart appeltje voor de dorst

Kustvogels die gaan broeden in Siberië vliegen de tank niet helemaal leeg. Strandlopers, plevieren en franjepoten houden na een vlucht van enkele duizenden kilometers een kleine restje vet over. Een appeltje voor de dorst, concludeert dr. Ingrid Tulp van Wageningen Imares.

Op de Wadden: strandlopers in vele soorten en maten. Onderweg van hun overwinteringsgebieden in Afrika naar de broedgebieden in Siberië, maken ze een tussenstop om een flinke vetvoorraad aan te leggen. Die voorraad vliegen ze tijdens de laatste grote etappe bijna helemaal op, maar dus net niet helemaal.

Tulp ving en onderzocht samen met collega's van onder andere ecologie-instituut NIOO-KNAW en de Groningse universiteit drie zomers lang waadvogels in Taimyr. Dat gebeurde overigens al begin deze eeuw. De resultaten staan nu in Polar Biology.

Dat vangen is overigens best lastig, legt Tulp uit. 'Het probleem in Siberië is dat het er niet donker wordt in de zomer. De vogels vliegen dus niet in mistnetten, die je normaal gebruikt voor steltlopers, want die zien ze. Als ze eenmaal broeden, kun je ze makkelijk op hun nest vangen. Maar als ze aankomen, is het moeilijk.' En daar gaat het nou juist om: de vogels te vangen als ze net arriveren. Met lokvogels, lokroepen op band en een speciaal ontworpen mobiel klapnet lukte het om vogels letterlijk uit de lucht te plukken. Daarbij werd slim positie gekozen bij de weinige sneeuwvrije plekken die er zo vroeg in het Siberische voorjaar zijn.

Pas aangekomen vogels hebben net genoeg vet over om het gemiddeld een halve dag (kleine strandloper) tot drie dagen (kanoetstrandloper) uit te houden als er bij aankomst niets te eten is op een nog bevroren toendra. Maar variatie tussen de vogels onderling is groot. Dat heeft voor een deel te maken met de vangmethode. Het is lastig om vast te stellen of een gevangen vogel al op zijn plek van bestemming was of nog een paar vlieguurtjes had te gaan. Dat levert ruis op in de resultaten.

Toch is het beetje extra vet onmiskenbaar. Op de vraag waarom de vogels niet - zoals de onderzoekers hadden aangenomen - alles geven op hun tocht, hebben Tulp en collega's geen eenduidig antwoord. Het meest voor de hand ligt het appeltje voor de dorst. Bovendien moet het vogellichaam vanuit de vliegstand broedklaar worden gemaakt. Dat vereist aanpassing van sommige organen, en die omzetting vereist energie.