Conservatieve lepelaars zijn slechter af

08.11.2013 13:59 Leeftijd: 5 Jaar
Categorie: Ecologie, Internationaal, Nederlands
Door: NIOZ

Lepelaars die gewoontegetrouw naar Afrika vliegen om te overwinteren, zijn slechter af dan lepelaars die ervoor kiezen om minder ver te vliegen, stelt Tamar Lok van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee in haar proefschrift. Op dit onderzoek hoopt zij 15 november te promoveren aan de RUG.

Lepelaar met kleurringen. Foto: Tamar Lok.

Lepelaars die in West-Afrika overwinteren en jaarlijks zo’n 10.000 km afleggen tussen broed- en overwinteringsgebied, doen het slechter dan de lepelaars die in Europa (Spanje, Portugal en Frankrijk) overwinteren en ‘slechts’ 1.000 – 4.000 km hoeven te vliegen. Dit blijkt uit zowel een lagere overleving als een lager broedsucces.

Steeds meer lepelaars ontdekken dat overwinteren in Europa een betere optie is. Deze noordwaartse verschuiving van de winterverspreiding gaat echter langzamer dan optimaal is. Dit wordt veroorzaakt door een combinatie van sterke plaatstrouw aan hun overwinteringsplek van volwassen lepelaars en de ‘traditionele keuzes’ van jonge lepelaars die wellicht volwassen lepelaars volgen tijdens de trek en daarom ook -meestal- in West-Afrika terecht komen.

Gemerkte lepelaars
Al 25 jaar worden er jonge lepelaars in Nederland van kleurringen voorzien. Hierdoor is het mogelijk om individuen te herkennen en te volgen. Deze waarnemingen worden door een groot aantal vrijwilligers gedaan. Door het combineren van de overwinteringsplaats en het broedsucces in Nederland, vond Lok dat lepelaars die in West-Afrika overwinterden, minder succesvol waren bij het broeden.

Belang effectieve beheersmaatregelen
Uit het onderzoek van Lok komt naar voren dat de overleving van volwassen lepelaars beperkt wordt in de overwinterings- en/of opvetgebieden, terwijl de broedkolonies in Nederland inmiddels te maken hebben met beperkingen in het groot brengen van de kuikens. Dit betekent dat het aantal broedparen in Nederland in de huidige voedselomstandigheden bijna aan het plafond zit. De Europese populatie kan echter nog groeien door uitbreiding naar nieuwe broedgebieden in (o.a.) Duitsland, Denemarken en Engeland. Hiervoor zou het helpen om natuurbeschermings maatregelen te treffen die de draagkracht van de Afrikaanse en Europese overwinterings- en opvetgebieden verhogen.
Toekomstig onderzoek aan gebiedsgebruik, voedselbehoefte en voedselaanbod in overwinterings- en opvetgebieden is van belang om te bepalen welke beheersmaatregelen het meest effectief zullen zijn.

Door dit onderzoek is een beter inzicht verkregen in de kosten en baten van de trek van lepelaars.

Tamar Lok (32 jaar) is geboren in Hengelo. Na haar studie biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen heeft zij daar de Topmaster opleiding ‘Evolutionary Biology’ gedaan. Na een beurs van 2 jaar van de RUG is zij gestart met haar promotieonderzoek, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de RUG en gestationeerd op Texel bij het NIOZ. Inmiddels is zij als post-doc werkzaam bij Theunis Piersma, RUG en NIOZ en werkt zij aan trek en overleving van wadvogels die in Australië overwinteren en langs de Oost-Aziatische kust naar hun Arctische broedgebieden vliegen.

Het proefschrift: 'Spoonbills as a model system: a demographic cost-benefit analysis of differential migration' is te downloaden via de NIOZ website.