Ook van windturbines kun je gaan houden

04.06.2013 14:12 Leeftijd: 5 Jaar
Categorie: Cultuurhistorie, Waddenacademie, Nederlands
Door: Jos Bazelmans

Windturbines roepen nu nog veel verzet op, maar kunnen net als de oude windmolens geliefd raken, stelt Jos Bazelmans.

Bij de lezing van Jos Bazelmans op de Tijwisselaar conferentie had het publiek in Marrum uitzicht op de oude molen, geflankeerd door de windturbines. Foto: Aerden Plaats

Het is een beroemd plaatje: de Groningse poldermolen 'De Goliath' naast het enorme windpark van de Eemshaven. Het beeld wordt vaak gebruikt om de dilemma's te illustreren van de plaatsing van windturbines. Groter kan het contrast niet zijn, in uiterlijk, uitvoering, omvang en doel.
Vrijwel iedereen vindt de oude windmolens mooi en een onmisbaar onderdeel van het landschap. Windturbines heten lelijk en lawaaiig. Toch zijn ze niet zulke vreemden van elkaar als het lijkt.

De molen verwierf zijn status als icoon en symbool van Nederland pas in de 19e eeuw. Eerst alleen bij buitenlanders, die zich verwonderden over het grote aantal molens in Nederland, en over de enorme omvang, veelkleurigheid en het veelsoortig gebruik ervan. Nederland was anders dan de andere landen in de 19e eeuw maar langzaam overgeschakeld op stoommachines,  juist omdat molens goedkoper waren.
Voor de Nederlanders zelf waren windmolens 'slechts' een praktisch gebruiksgoed, iets volstrekt vanzelfsprekends. Dat veranderde pas rond 1900. Een nieuw nationalistisch reveil ontdekte de windmolen als een symbool voor het eigen land in een periode dat door de introductie van motoren op dieselolie en elektriciteit molens in grote aantallen begonnen te verdwijnen.
Dat de windmolen zo'n sterk internationaal beeldmerk werd, komt ook door de prominente rol van molens in de Hollandse landschapsschilderkunst. De molen bij Wijk van Jacob van Ruijsdael hangt in de eregalerij van het nieuwe Rijksmuseum.

De eerste vereniging tot het behoud van windmolens werd opgericht in de jaren twintig. Maar velen vonden het initiatief onzin, een overblijfsel van vroeger. De schrijver Hendrik de Man noemde het streven naar het behoud van molens een uiting: 'eener arcadische 19e eeuwse gesteldheid'.
Het bijzondere was echter dat de voorvechters van windmolens voortdurend bezig bleven met de vernieuwing van de windmolen. Ook de Vereniging van de Hollandsche Molen, opgericht in 1923, was niet gericht op het onvoorwaardelijke behoud maar wilde dat molens konden blijven werken. Er kwamen technische verbeteringen, zoals aerodynamische aanpassing van de wiekenkruisen, met de vliegtuigbouw als inspiratiebron. Staatssteun, academisch onderzoek en ambachtelijke toepassing gingen samen. Al dit onderzoek was de voorloper van het onderzoek naar windenergie dat na de oliecrisis in 1973 vorm kreeg.
Windmolens en windturbines zijn in historische zin dus bloedverwanten: vader en dochter, ondanks de grote verschillen. Een windmolen naast een windturbine is geen tegenstelling tussen een nostalgisch verlangen naar vroeger en een omarming van de nieuwste technologie.

Daarmee wil ik de problemen rond de inpassing van de grote windturbines in het landschap of op zee (Waddengebied) niet bagatelliseren. Een goede plaatsing van windturbines in het landschap is een lastige ontwerpopgave. Misschien valt er iets te leren van de geschiedenis van en de omgang met windmolens. Soms wordt beweerd dat ook een deel van de huidige windturbines ooit erfgoed zal worden. Dat is te makkelijk. Ik voorspel wel dat lokaal eigenaarschap en lokaal gebruik van de opbrengsten, zoals bij onze oude windmolens, een belangrijke rol gaan spelen in de acceptatie van windturbines als duurzame energiebron. Wie weet wordt het zelfs weer vanzelfsprekend om turbines een naam te geven. Twee turbines hebben nu al een naam: 'De Ambtenaar' in de Wieringermeer en 'Nieuwkomer' naast de A4 bij Zoeterwoude-dorp. Wie weet een naam voor andere turbines indachtig de dichtregels van Neeltje Maria Min: “Noem mij, bevestig mijn bestaan”.

Dit artikel is gepubliceerd als opiniestuk in dagblad Trouw op 4 juni 2013. Het artikel is een bewerking van de lezing die Jos Bazelmans hield op de werkconferentie Tijwisselaar op 30 mei 2013 in het Friese Marrum.