Steltlopers en roofvogels - subtiel gevecht op leven en dood

13.12.2010 15:45 Leeftijd: 8 Jaar
Categorie: Nederlands, Ecologie, Internationaal
Door: NIOZ

Wat betekent de aanwezigheid van roofvogels voor steltlopers op het wad? Dit onderzocht NIOZ promovendus Piet van den Hout in het veld op de Banc d'Arguin in Mauritanië en in de experimentele wadvogelunit van het NIOZ op Texel.

Duintjes op de grens met de wadplaten van de Banc d' Arguin in Mauritanië (foto Frédéric Robin)

Kanoet (foto Jan van de Kam)

Steenloper (foto Piet van den Hout)

Dat de sterfte onder veel overwinterende steltlopers relatief laag is, komt vooral door een aantal aanpassingen in hun gedrag en fysiologie, waardoor ze confrontaties met roofvogels weten te mijden, of aan aanvallers weten te ontsnappen. Jonge vogels lopen veel meer risico dan hun oudere soortgenoten. Van den Hout verdedigt zijn proefschrift op 17 december 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Veldonderzoek in Mauritanië
Het veldonderzoek spitste zich toe op de Banc d'Arguin, die niet alleen van groot belang is voor steltlopers als overwinteringsgebied, maar waar deze, in tegenstelling tot in de Waddenzee, ook zeer plaatstrouw zijn. Dat maakt studies van prooi-predator relaties een stuk gemakkelijker. Een ander groot verschil met de Waddenzee is, dat er op de Banc d'Arguin nog grote delen van de droogvallende wadplaten zijn begroeid met zeegrasvelden.

Het bleek dat directe sterfte door predatie door roofvogels in het algemeen gering was. Voor Kanoeten (Calidris canutus) was 6,2% van de complete jaarlijkse sterfte van jonge vogels en slechts 0,8% van oudere vogels rechtstreeks te verklaren door predatie op de Banc d'Arguin. Gemiddeld genomen lopen jonge Kanoeten dus bijna tienmaal zo veel kans om door een roofvogel te worden gegrepen dan hun oudere soortgenoten. Hoe komt dat? In het onderzoeksgebied gebruiken valken vaak de kale heuvels als uitvalsbasis voor hun aanvallen. Vandaar uit worden de duintjes vlak langs het wad benut om argeloze steltlopers te overrompelen. Voor Kanoeten lijkt het erop dat een aantal jonge vogels de concurrentieslag met hun oudere soortgenoten nog niet aankunnen, terwijl zij bovendien door gebrekkigere vaardigheiden de voedselrijkdommen van het zeegrasveld op de wadplaat onvoldoende weten te benutten. Daardoor worden ze gedwongen om hun voedsel te zoeken op plaatsen waar het gemakkelijker te vinden is en waar ze minder gestoord worden door dominante (vaak oudere) soortgenoten: de onbegroeide zones aan de randen van het wad, waar de duintjes het zicht op aanvallende roofvogels belemmeren. Vanuit hun hinderlaag hadden valken dus veel meer kans om een jonge vogel te verschalken dan een ouder exemplaar. Door Kanoeten te ringen kon Van den Hout ook volgen dat met het toenemen van de leeftijd de vogels vanaf de randen naar het centrale 'zeegrasdeel' van het voedselgebied 'promoveerden'; Kanoeten maken dus een leerproces door waarbij ze niet alleen vaardiger worden in voedselzoeken maar ook weerbaarder tegen voedselconcurrenten. Dat levert ze geleidelijk steeds meer veiligheid op tegen predatie door roofvogels.

Fysiologische aanpassingen verschillen per soort
Maar uiteindelijk moeten zelfs de fitste steltlopers af en toe de confrontatie aangaan met hun belagers. Daarom moeten ze op hun gewicht letten. Vetreserves beschermen weliswaar tegen verhongering, maar vogels worden er ook langzamer en minder wendbaar door. Vogels moeten hier een balans in vinden en je verwacht dat - onder verder gelijkblijvende omstandigheden - veranderingen in predatiegevaar zullen leiden tot aanpassingen van de vliegcapaciteit. Van den Hout testte dit in de experimentele vogelunit van het NIOZ op Texel. Hij vergeleek hierbij de Steenloper (Arenaria interpres) en de Kanoet door groepjes vogels op onvoorspelbare tijden met een overglijdend model van een Sperwer of als 'onschuldige controle' een opgezette Kokmeeuw te confronteren. Steenlopers bleken vooral hun borstspieren, essentieel bij het vliegen, te vergroten en te verkleinen al naar gelang het gevaar groter (bij blootstelling aan de Sperwer) of kleiner (bij presenteren van de Kokmeeuw) werd. Kanoeten daarentegen verlaagden bij toenemend gevaar vooral hun lichaamsgewicht. Deze verschillende aanpassingspatronen zijn goed te begrijpen als we naar de verschillen in voedselzoeken kijken. Steenlopers zoeken hun voedsel doorgaans vrij dicht langs de kanten van de wadplaat, zoals langs de vloedlijn vlakbij de duintjes. Daar hebben ze vaak een beperkt uitzicht op de horizon waardoor ze een relatief groot risico lopen om verrast te worden door een plotseling opduikende roofvogel. Omdat deze op het moment dat ze hem ontdekken al heel dichtbij is, hebben Steenlopers weinig tijd om hun ontsnapping voor te bereiden. De eerste meters zijn van levensbelang: de vogel moet zo snel mogelijk accelereren om hetzij in de vegetatie te duiken, het wateroppervlak te bereiken, of te kunnen zwenken. Om die maximale versnelling te kunnen genereren is vliegkracht een eerste vereiste, vooral ook omdat zwenkingen bij lagere snelheid met snel flappende vleugels (de ene vleugel sneller dan de andere) moeten gebeuren. Kanoeten zoeken echter hun voedsel meestal zo ver mogelijk verwijderd van structuren die het zicht op een aanstormende roofvogel zouden kunnen belemmeren, zoals duintjes en dijklichamen. Dat betekent dat Kanoeten een roofvogel meestal al in een relatief vroeg stadium kunnen zien aankomen en dus meer tijd hebben om te reageren. Die tijd kunnen ze gebruiken om de lucht in te gaan, snelheid op te bouwen en soortgenoten te rekruteren voor een groepsgewijze ontsnapping. De door snelheid opgebouwde 'lift' kunnen zij door subtiele veranderingen in vleugelstand omzetten in zwenkingen (zonder dat daar snelle vleugelslagen voor nodig zijn - zoals bij de Steenloper). Van den Hout: "Aan de hand van berekeningen aan aerodynamische eigenschappen van het vliegen konden we vaststellen dat als eenmaal de vereiste snelheid is opgebouwd, behendig bochtenwerk uitsluitend nog afhangt van het lichaamsgewicht. Kanoeten moeten dus in reactie op predatiegevaar hun lichaamsgewicht laten zakken en dat is precies wat ze deden in ons experiment".

Deze experimenten vertellen ons tot welke aanpassingen vogels in staat zijn en welke ontsnappingstactiek een soort het beste lijkt te passen, afhankelijk van habitatgebruik en sociale context.

Al met al lijkt de beste bescherming tegen predatie de ontwikkeling van vaardigheden in voedselzoeken en het succesvol omgaan met concurrentie van de eigen  tafelgenoten' op het wad, waardoor een individuele vogel een goede energetische conditie kan opbouwen die hem of haar in staat stelt om het risico om door een roofvogel opgegeten te worden zo minimaal mogelijk te houden.

Bibliografie proefschrift:
van den Hout, P.J. Struggle for Safety: Adaptive responses of wintering waders to their avian predators. 200 pp. ISBN 978-90-367-4575-8.

Promotie:
De openbare verdediging van het proefschrift vindt plaats op vrijdag 17 december 2010 om 13:15 in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen, Broerstraat 5.