Scheepswrakken als (voedings)bodem

Door: Cora de Leeuw
Datum: 1 februari 2018

Het is voor velen onzichtbaar, maar de Waddenzee ligt vol met kades, bruggen en vooral veel scheepswrakken. Zij zijn een bron van kennis over het verleden van Nederland als maritieme natie. Eind 2017 is Martijn Manders, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort, gepromoveerd aan de Leidse Universiteit op onderzoek naar hoe dit erfgoed behouden kan worden. De wrakken worden onder andere bedreigd door biologische afbraakprocessen. Met name bacteriën, schimmels en de Paalworm zijn geduchte vijanden in de strijd om het behoud van het onderwatererfgoed.   

Anaerobe bacteriën

Door sedimentatieprocessen raken scheepswrakken in de Waddenzee vaak snel bedolven onder het zand en slib. Het bovenste laagje van de bodem is nog rijk aan zuurstof, daaronder heersen zuurstofarme en vrijwel zuurstofloze (anaerobe) omstandigheden. Alleen bacteriën die hieraan zijn aangepast, kunnen er overleven. Door biochemische processen kunnen deze anaerobe bacteriën het bedolven hout van scheepswrakken aantasten, dat in de zestiende en zeventiende eeuw vooral afkomstig was van dennen (vrij zacht hout) en eiken (harder hout, dus minder gevoelig voor afbraak). Deze anaerobe bacteriën komen echter in zeer lage dichtheden voor. Ook verlopen de afbraakprocessen onder zuurstofloze omstandigheden heel  langzaam, waardoor hout juist lang geconserveerd blijft in de bodem van de Waddenzee.

Schimmels

In de bovenste millimeters van de wadbodem en daarboven heersen zuurstofrijke omstandigheden. Daar gedijen veel meer soorten organismen. Naast bacteriën komen ook schimmels er in grote aantallen voor. De groep van de Fungi imperfecti bijvoorbeeld: schimmels die enzymen afscheiden en met hun schimmeldraden het met water verzadigde hout doordringen, mits het zuurstofgehalte boven de 0,5 mg O2/liter is. Zij zitten vooral aan de buitenkant van het hout en maken het hout zacht. 

Paalworm

De grootste bedreiging voor scheepswrakken in zeewater is een heel gespecialiseerde soort: de Paalworm (Teredo navalis). Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is het geen worm maar een tweekleppig schelpdier. De schelp is heel klein (gemiddeld 6x6 mm groot), maar vernuftig gevormd. Hij bestaat uit verschillende delen waarmee het dier een gang kan boren in hout. Bij de schelp zit de mond, waarmee de Paalworm het hout opneemt. Dit wordt verteerd door speciale enzymen, omgezet in glycogeen (dierlijk zetmeel) en opgeslagen als reservevoedsel. Aan de andere kant heeft hij een lang, wormvormig gedeelte met een kalkskelet dat stevigheid geeft. Daaruit steekt het uiteinde van het dier met twee sipho’s: een met een instroomopening om voedsel (plankton) uit het water op te nemen en een met een uitstroomopening om afvalproducten en (alleen door het vrouwtje) larven uit te scheiden. Aan beide einden van de Paalworm zitten langwerpige stukjes schelp (paletten) die de boorgang kunnen afsluiten. Paalwormen kunnen zich alleen voortplanten in zuurstofrijk zeewater (> 4 mg O2/liter) met een zoutgehalte van minimaal 9 ‰ en een temperatuur tussen de 12 en 30 graden Celsius. Gezien de continue schade van het verleden tot nu toe, komen deze omstandigheden in de Waddenzee al honderden jaren voor.

Biodiversiteit

Scheepswrakken zijn ook ideale plekken voor soorten die graag groeien op hard substraat. Dit type ondergrond is zeldzaam in de zachte, zandige bodem van de Waddenzee. In het onderzoek naar de scheepswrakken zijn vele soorten algen, mosdiertjes, manteldieren (zoals zakpijpen), zeeanemonen, zeepokken, slakken en schelpdieren gevonden. Daaromheen leven weer krabben, zeesterren en vele soorten vissen. Zo dragen scheepswrakken bij aan de biodiversiteit van de Waddenzee.
Scheepswrakken en andere historische overblijfselen op en in de bodem van de Waddenzee zijn dus om meerdere redenen van belang om te beschermen. Naast de historische informatie die zij kunnen leveren en waarmee wij meer kennis over het verleden kunnen opdoen, zijn het dus ook plekken die de biodiversiteit kunnen bevorderen en – nog ongenoemd – een recreatieve waarde hebben voor met name sportduikers. De bescherming en het beheer kunnen hand in hand gaan met het ecologisch beheer van de Waddenzee. Manders maakt er zich in zijn proefschrift hard voor om daar werk van te gaan maken.

Het proefschrift van Martijn Manders is opgenomen in het overzicht van wadden gerelateerde proefschriften van de Waddenacademie.

Bronnen