Pijlinktvissen

Door: Hans Revier
Datum: 8 juni 2018

De opmerkelijke vondst van eiertrossen van de pijlinktvis op het wad ten zuiden van Terschelling vestigde weer eens de aandacht op deze in de Noordzee meest voorkomende inktvis. In tegenstelling tot in het verleden is deze soort in het waddengebied nu een bijzondere verschijning.

Pijlinktvissen danken hun naam aan de twee zijdelingse vinnen aan het achterlijf. Hiermee kunnen ze goed zwemmen. Door water via het trechtervormige achterlijf uit te persen maken ze gebruik van een soort straalaandrijving. Deze inktvissen zijn echte zichtjagers. Ze zwemmen achterwaarts door een school vissen heen, draaien zich pijlsnel zijwaarts en grijpen met hun twee vangarmen, die voorzien zijn van zuignappen, een vis.

Detail van de bek van de pijlinktvis. Foto: Wikimedia

Detail van de bek van de pijlinktvis. Foto: Wikimedia

Met behulp van de papegaaiachtige bek wordt deze aan stukken gescheurd. Tijdens de voortplanting zijn het mannetje en vrouwtje innig omstrengeld. Het mannetje brengt dan met een speciale arm pakketjes sperma in de mantelholte van het vrouwtje. Na de bevruchting zet het vrouwtje op hard substraat of tussen zeewier lange in elkaar gedraaide eiersnoeren af. Met enige regelmaat worden deze gelatineuze ‘dreadlocks’ op het strand gevonden. Vaak zijn de jonge inktvisjes al zichtbaar in de eieren.

Vier soorten pijlinktvis

In de Noordzee komen vier soorten pijlinktvissen algemeen voor. De gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris) bewoont vooral de zuidelijke Noordzee en komt in ondieper (tot -20 meter) water voor. Ten noorden van Den Helder wordt deze soort niet veel waargenomen. In noordelijker wateren is de noordse pijlinktvis (Loligo forbesii) meer algemeen. Deze soort geeft de voorkeur aan dieper (tot -30 meter) water. Beide soorten zijn gemiddeld een halve meter lang. De kleine pijlinktvis of dwergpijlinktvis (Alloteuthis subulata) wordt niet langer dan 15 centimeter en komt overal in de Noordzee voor en kan in grote aantallen in ondiepe kustwateren worden aangetroffen. Deze soort leeft vlak boven de bodem en jaagt onder andere op garnalen.

De grote pijlinktvis (Todarodes sagittatus) leeft in diep (tot -1000 meter) water en kan bijna twee meter lang worden. Af en toe spoelen grote pijlinktvissen aan op de stranden van de Waddeneilanden. De soort komt algemeen voor in de Atlantische Oceaan en trekt vanuit het zuiden in de winter en het vroege voorjaar in grote scholen naar baaien en fjorden in Ierland, Noord-Schotland en Noorwegen. Deze trek loopt, gezien de meldingen van vangsten op het NCP en de regelmatige strandingen, ook deels door de Nederlandse kustwateren.

Eiersnoeren

De vondst van eiersnoeren of het aanspoelen van een exemplaar op het strand in het waddengebied is de laatste decennia een zeldzame gebeurtenis die daarom vaak het nieuws haalt. Toch blijkt dat in het verleden de verschijning van pijlinktvissen voor de kust bij Texel een algemeen verschijnsel was. In een lyrisch artikel dat in 1935 in De Levende Natuur verscheen, beschrijft Jan Verwey, toen directeur van het Zoölogisch Station te Den Helder, de trek van gewone pijlinktvissen nabij Texel:

‘Ik wilde dat ik U de buitenrand der Haaksgronden, de beruchte zandbanken in het Zeegat van Texel, kon schilderen in Juni of Juli, wanneer een spiegelgladde zee overgoten wordt met warmte en licht uit een stralende hemel; wanneer een weelderig plankton de duizenden vislarven voedt, door stromen heen en weer gevoerd; wanneer de pijlinktvissen in grote troepen de steile rand der Gronden opzoeken om er hun eieren af te zetten, die een paar maanden later milliarden jonge inktvissen de werelde insturen.’

Hij beschrijft dat de gewone pijlinktvis in april voor het eerst bij Den Helder arriveert, waarna de aantallen tot medio juni snel groeien. De Helderse vissers vangen dan zo’n 500 inktvissen per dag. Ook recenter onderzoek heeft vastgesteld dat de gewone pijlinktvis in het voorjaar naar het noorden trekt om te paren en eieren af te zetten. 

Bronnen:

De Heij, A., & Baayen, R. P. (2005). Seasonal distribution of cephalopod species living in the central and southern North Sea. Basteria, 69(4/6), 91-119.

Verwey, J. (1935). Van vogel tot inktvis. De Levende Natuur, 40(7), 150-152.

Kristensen, I. (1966). De inktvissen langs de Nederlandse kust. Correspondentieblad NMV, 118(1), 1240-1243.

De Vooys, C. G. N., & Dapper, R. (1993). Lange termijn veranderingen op het Nederlands Continentaal Plat van de Noordzee: Trends in evertebraten van 1931-1990. Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee.

Bekijk ook de onderwaterbeelden van pijlinktvis die eieren afzet: https://www.onderwaterbeelden.nl/gewone-pijlinktvis-die-zijn-eieren-afzet-omvangrijke-trossen/