De ene kokkel is de andere niet

Door: Tim van Oijen
Datum: 7 februari 2013

Brakwaterkokkel (links) en gewone kokkel. foto: Natuurinformatie.nl

Hij is na de mossel de bekendste schelp van het wad: de kokkel. Wat lang niet iedereen weet is dat er in Nederland naast de gewone kokkel ook nog een andere soort is, de brakwaterkokkel. De twee soorten lijken uiterlijk enorm op elkaar maar ze verschillen in leefwijze. Wetenschappers hebben die verschillen eens op een rijtje gezet.

De meest algemene van de twee soorten kokkels is de gewone kokkel (Cerastoderma edule). De andere, de brakwaterkokkel (Cerastoderma glaucum), is een stuk zeldzamer maar beide soorten komen in grote delen van Europa voor. De brakwaterkokkel leeft vooral in brakke binnenwateren. De Waddenzee is te zout voor hem. Bovendien kan de brakwaterkokkel niet goed tegen droogvallen bij eb. Dus als je op het wad een kokkel tegenkomt dan is dit eigenlijk altijd de gewone. De brakwaterkokkel is in Nederland vooral in de brakke wateren in Zeeland te vinden, zoals de Grevelingen.

Verspreiding van kokkellarven

Kokkels planten zich in het voorjaar en de zomer voort. De voorplantingsorganen, de gonaden, ontwikkelen zich in april/mei en zijn bij volle rijping goed voor twintig procent van het lichaamsgewicht. De dieren ‘spawnen’ van mei tot augustus. Hierbij laten de mannetjes en vrouwtjes, zoals bij veel tweekleppigen, massaal en gelijktijdig hun voortplantingscellen los waarna de bevruchting in het water plaatsvindt. De beide soorten verschillen in de timing van de voortplanting: bij de brakwaterkokkel kunnen sommige populaties verspreid over voorjaar en zomer wel twee tot drie keer synchroon hun voortplantingscellen vrijlaten.  De gewone kokkel doet dat over het algemeen maar een keer of een aantal keer direct achter elkaar. De kokkel produceert daarbij veel meer eitjes dan de brakwaterkokkel. Deze eitjes ontwikkelen zich eerst al drijvend in het water, terwijl die van de brakwaterkokkel zich meteen op de bodem ontwikkelen. In totaal duurt de ontwikkeling van larve tot een schelpje 3,5 tot 5 weken.  Hierna vindt nog een nogmaals een migratie plaats naar een andere plek waar ze tot volwassen dieren uitgroeien.

Eten en gegeten worden

Brakwatergrondel. Foto: Ravon.

Beide soorten kokkels zijn weinig kieskeurig in wat ze eten: als ze het maar uit het water kunnen filteren. Het kunnen kleine voedseldeeltjes zijn maar ook eencellige algen. De larven eten waarschijnlijk vooral algen. De kokkels worden op hun beurt weer gegeten door krabben, vissen en vogels. De kokkellarven worden ook veel door garnalen gegeten.  Voor de jonge brakwaterkokkels is de brakwatergrondel een aartsvijand. Meer dan de helft van de jonge kokkels worden door dit visje verschalkt. De scholekster en de kanoet zijn de belangrijkste vijanden van volwassen gewone kokkels. Een hongerige scholekster kan op een dag honderden kokkels eten.

Geïntegreerd onderzoek

De wetenschappers concluderen dat met name over het larvale stadium nog veel onbekend is. Er is meer onderzoek nodig naar het dieet van de larven en de effecten van omgevingsveranderingen op de ontwikkeling. De onderzoekers pleiten daarnaast voor een geïntegreerde benadering in toekomstig kokkelonderzoek. Hiermee bedoelen ze dat voor verschillende studies op hetzelfde moment monsters worden verzameld, zodat de uitkomsten van de onderzoeken elkaar beter kunnen aanvullen.

Bronnen

Malham, S.K., T.H. Hutchinson en M. Longshaw (2012). A review of the biology of European cockles (Cerastoderma spp.). Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom 92(7), p. 1563-1577. DOI: 10.1017/S0025315412000355

Dabouineau, L. en A. Ponsero (2009). Synthesis on biology of Common European Cockle Cerastoderma edule. Université Catholique de l’Ouest - Réserve Naturelle Nationale Baie de St-Brieuc, 23 pp.

Andresen, H. (2012). Size-dependent predation risk for young bivalves

http://nl.wikipedia.org/wiki/Kokkel
http://nl.wikipedia.org/wiki/Brakwaterkokkel