Ansjovis en sardientjes in het Marsdiep

Door: Hans Revier
Datum: 21 januari 2016

Grote Stern met vis. Bron:Wikimedia.

Het onderzoek naar de visstand in de Waddenzee richt zich voornamelijk op bij de bodem voorkomende soorten als schol, tong en kabeljauw. Over het voorkomen van in scholen rondzwemmende soorten is minder bekend. Hydro-akoestisch onderzoek in het Marsdiep laat zien dat daar veel haringachtigen als sprot, ansjovis en sardien voorkomen. In delen van het jaar vormen ze waarschijnlijk een belangrijke voedselbron voor sterns, grijze zeehonden en bruinvissen.

Haringachtigen

Zandspiering. Bron: Wikimedia

Door de voedselrijkdom en het in het voorjaar snel opwarmende water is de Waddenzee een enorme kinderkamer voor allerlei soorten vis. Met behulp van boomkorren en fuiken wordt al meer dan vijftig jaar de visstand gemonitord. De gegevens die daaruit verkregen worden betreffen voornamelijk demersale, op en bij de bodem voorkomende vissoorten als schol, tong en kabeljauw. Maar ook pelagische soorten, vissen die in scholen in de waterkolom zwemmen, komen in en nabij de Waddenzee voor. Dit betreft vooral haringachtigen als zandspiering (Ammodytes sp.), sprot (Sprattus sprattus), haring (Clupea harengus), sardien (Sardina pilchardus) en ansjovis (Engraulis encrasicolus). Vooral het weer voorkomen van de sardien en ansjovis is opmerkelijk. Beide soorten waren na de aanleg van de Afsluitdijk verdwenen uit de Nederlandse wateren. Waarschijnlijk konden de populaties zich herstellen onder invloed van de opwarming van het zeewater (zie Wadweten CSI op zee).

Sprot

Het onderzoek in het Marsdiep is uitgevoerd met geavanceerde sonarapparatuur. Zowel tijdens laag- als hoogwater gingen de onderzoekers op zoek naar scholen vis. Zodra de apparatuur het voorkomen van vis aangaf, voer het schip terug om te proberen om de vis te vangen met een pelagisch trawlnet. Uit de gegevens van de sonar, gekoppeld aan de gegevens van de vangst bleek dat de sprot de meest voorkomende pelagische vissoort in het Marsdiep was. Deze soort was aanwezig in alle seizoenen. De haring werd ook vaak waargenomen en in mei bestond een groot deel van de vangst uit zandspiering. In de herfst troffen de onderzoekers deze soort nauwelijks in de monsters aan. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat de zandspiering vanaf het eind van de zomer tot aan het voorjaar zich in de zeebodem ingraaft. Andere soorten die men in relatief grote aantallen aantrof waren sardien, ansjovis en de driedoornige stekelbaars.

Biomassa

Ansjovis. Bron: Wikimedia.

De visjes, over het algemeen kleiner dan 10 centimeter, kwamen voor in relatief bescheiden scholen, kleiner dan 5 m3. De meeste scholen kwamen voor in de bovenste 10 meter van de waterkolom. Gedurende hoogwater was de dichtheid van de vissen en de omvang van de scholen beduidend hoger vergeleken met de periode rond laagwater. Gebaseerd op de gegevens van de sonar en de resultaten van de visvangst konden de onderzoekers ook een indicatie geven van de biomassa aan pelagische vissoorten. In het Marsdiep varieert die tussen de 23 en 411 kilo per hectare en is daarmee beduidend hoger dan de biomassa aan demersale vissoorten.

Bruinvissen

Pelagische vissoorten zijn een belangrijke voedselbron voor allerlei soorten zeezoogdieren en vogels. Grijze zeehonden en bruinvissen doen zich te goed aan onder andere haring en sprot. Zeevogels als sterns en meeuwen zijn bepaalde delen van het jaar afhankelijk van pelagische vissoorten. Opmerkelijk is dat de laatste jaren is vastgesteld dat bruinvissen vooral tijdens hoogwater het Marsdiep binnen zwemmen. Waarschijnlijk kiezen ze dit moment omdat dan hun favoriete voedsel in de grootste hoeveelheden aanwezig is.
Omdat structureel monitoringsonderzoek nauwelijks heeft plaats gevonden kunnen geen conclusies getrokken worden over veranderingen in het voorkomen van de pelagische vissoorten.

Bronnen

Couperus, B., Gastauer, S., Fässler, S. M., Tulp, I., van der Veer, H. W., & Poos, J. J. (2016). Abundance and tidal behaviour of pelagic fish in the gateway to the Wadden Sea. Journal of Sea Research, 109: 42-51.