De zee neemt, de zee geeft

Door: Tim van Oijen
Datum: 19 januari 2017

Paleogeografische kaarten met een reconstructie van de geografie van Noord-Nederland in 500 v. Chr. (boven) en 800 n. Chr. (onder). De blauwe cirkel in de onderste kaart geeft de locatie van de Lauwerszee aan. Bron: Vos en De Vries (2013).

Paleogeografische kaarten met een reconstructie van de geografie van Noord-Nederland in 500 v. Chr. (boven) en 800 n. Chr. (onder). De blauwe cirkel in de onderste kaart geeft de locatie van de Lauwerszee aan. Bron: Vos en De Vries (2013).

In het laat Holoceen, vanaf zo’n tweeduizend jaar geleden, traden op veel plekken langs de Nederlandse kust zee-inbraken op. De zee drong hier het land binnen en vormde nieuwe watersystemen, zoals de Lauwerszee. Aardwetenschappers laten met reconstructies van het landschap in het verleden zien dat de geologische voorgeschiedenis van de getroffen gebieden van grote invloed was op het verloop van de zee-inbraken.

Vanaf zesduizend jaar geleden vormde zich langs de Nederlandse westkust een gesloten keten van strandduinen. Erachter ontwikkelden zich uitgestrekte veengebieden, tot tientallen kilometers landinwaarts. In Noord-Nederland bleef de kust altijd open, maar langs de randen van het getijgebied vormden zich ook veengebieden. Grote delen van het veen werden vanaf ca. 600 v. Chr. door de mens voor akkerbouw in gebruik genomen. Vanaf het begin van de jaartelling traden er echter vele zee-inbraken op, waarbij de zee diep het land binnendrong. Wetenschappers hebben in een recente publicatie het verloop van deze inbraken onderzocht. Ze delen het in vier fasen in (0 t/m 3):

-In fase 0 neemt de overstromingsgevoeligheid van het achterland sterk toe doordat de mens door de afwatering van veengebieden deze geschikt maakt voor landbouw. Dit leidt tot inklinking van de bodem en dus tot bodemdaling.

-In fase 1 dringt de zee via zwakke plekken het verzakte achterland binnen, waarschijnlijk bij springtij of een grote storm. Als dit herhaaldelijk gebeurt, groeit er een nieuw geulensysteem dat steeds dieper het land indringt. Door het gewicht van de klei die wordt afgezet, klinkt de bodem soms nog verder in (autocompactie). Dit vergroot het watervolume dat in het gebied kan worden geborgen. Ook kan door de zee-inbraak het grondwaterpeil in flankerende veengebieden dalen, wat tot inklinking en verdrinking van die gebieden kan leiden. Dit vergroot het bergingsvolume nog verder en vertraagt het opslibbingsproces. Het is daarnaast mogelijk dat de mens aangrenzend gebied gaat ontwateren om het te kunnen ontginnen, wat ook deze gebieden tot risicogebied maakt en ze kan doen verdrinken.

-In fase 2 is de compactie van het veen grotendeels voltooid en krijgt sedimentatie weer de overhand, waardoor het gebied weer opslibt. Wanneer het systeem overgaat van fase 1 naar 2 hangt af van de omvang van de inbraak, de sedimentaanvoer en de mate waarin de bij fase 1 genoemde processen een rol spelen.

-In fase 3 grijpt de mens de kans op het opgehoogde land weer van de zee te nemen door het in te dijken.

Weerbarstige kwelderruggen/kwelderwallen

Hoogtekaart van het huidige Lauwersmeergebied, met daarin aangegeven de oude kwelderruggen. Bron: AHN.

Hoogtekaart van het huidige Lauwersmeergebied, met daarin aangegeven de oude kwelderruggen. Bron: AHN.

Hoewel de ingressies langs het gehele kustgebied van Nederland het bovenstaande algemene verloop kenden, waren ze allerminst uniform. De omvang van de indringing en de snelheid waarmee de verschillende fases werden doorlopen varieerde door de geologische voorgeschiedenis. De vorming van de Lauwerszee is daar een mooie illustratie van. Kenmerkend voor het Lauwerszeegebied zijn de vele oude kwelderruggen die als verhogingen in het gebied langs de rand van de Waddenzee zijn gevormd in de periode 700 v. Chr - 500 n. Chr. Deze hoger gelegen delen waren aantrekkelijk voor mensen om te wonen. Omdat ze met zeer hoog water alsnog konden onderlopen zijn hier vele terpen gebouwd. In tegenstelling tot de uitgestrekte veengronden aan de zuidkant van deze kweldergebieden waren de waren de kwelderruggen zelf vrijwel ongevoelig voor inklinking. Door hun kleiige samenstelling waren ze goed bestand tegen erosie van het oprukkende water van de uitbreidende Lauwerszee ca. 300-600 n. Chr. Dit leidde er waarschijnlijk toe dat de vorming van nieuwe getijgeulen in fase 1 vertraagd werd. Hierdoor verdronk het venige achterland mogelijk minder snel, maar was er ook minder sediment beschikbaar om het land weer op te laten slibben. In dit gebied kwam daarom het nieuwe getijsysteem pas later tot wasdom dan in andere delen van het land.

De wetenschappers benadrukken dat het algemene beeld dat het voorkomen van grote stormen de voornaamste oorzaak van de zee-inbraken is, niet juist is. Stormen gaven vaak het laatste zetje omdat ze zorgden voor de eerste overstromingen van een zee-inbraak, maar de echte randvoorwaarden werden geschapen door de ontwatering van veengebieden en de verschillen in kwetsbaarheid van de kustzone.

Bron

Pierik, H.J., Cohen, K.M, Vos, P.C., Van der Spek, A.J.F. en E. Stouthamer (in press). Late Holocene coastal-plain evolution of the Netherlands: the role of natural preconditions in human-induced sea regressions. Proceedings of the Geologists’ Association. dx.doi.org/10.1016/j.pgeola.2016.12.002.
ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/