Reisverslag 20 maart
1. Interview met Goffe Jensma
hoogleraar Friese taal- en letterkunde, Rijksuniversiteit Groningen
Meubelmaker of antiquair?
Landschap is 'hot'. Toen van de bewoners van Friesland in 2006 werd gevraagd mee te denken over de toekomst van de provincie dienden ze meer dan 700 projectvoorstellen in. Uit een getalsmatige analyse van Goffe Jensma blijkt dat na 'water' het begrip 'landschap' op de tweede plaats staat van de in de voorstellen gehanteerde kernbegrippen. 'Was negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse Friese cultuur uitermate talig en kennisgericht,[...], Friese cultuur lijkt tegenwoordig voornamelijk te bestaan uit een aantal sprekende iconen: water, sport, landschap, cultuur, landbouw. Kennis omtrent het eigen verleden wordt minder hoog aangeslagen dan voorheen", zo lees ik in één van Goffe's jongste essays. In mijn gesprek met hem in de stationsrestauratie van Groningen probeer ik op basis van mijn ervaringen van de afgelopen dagen de door hem beschreven veranderingen van een kritische noot te voorzien.
"Goffe, ik bemerk juist een enorme honger naar kennis over het verleden. Ieder dorp heeft tegenwoordig zijn eigen geschiedenis geboekstaafd. Historische verenigingen bloeien als nooit tevoren. Ook provincies, inclusief Groningen en Friesland, timmeren aan de weg met de publicatie van eigen canons en van dikke, meerdelige en prachtig vormgegeven, historische werken. De nieuwe van Groningen heb ik de afgelopen dagen bij verschillende mensen thuis zien liggen". "Ja dat klopt", zo beaamt Goffe mijn tegenwerping, "maar er is in de historische beleving wel enorm veel veranderd. In de 19de en een groot deel van de 20ste eeuw ging het om een cultuurpolitiek programma dat op kennis van de eigen taal, geschiedenis en literatuur was gebaseerd. Een aantal voormannen probeerde met grote trots duidelijk te maken wat het betekende om Fries of Groninger te zijn. Dat was vooral voor eigen gebruik. Tegenwoordig draait het meer om beleving en het teweegbrengen van een historische sensatie. Het is ook meer naar buiten gericht; in veel gevallen ligt er ook een directe relatie met het toerisme". Goffe maakt zich zorgen over deze ontwikkelingen. In zijn essay schrijft hij dat de geschiedenis en cultuur van het gebied "niet langer gekend wordt maar slechts consumptief beleefd". Dat werkt vervlakking, onbestemdheid en plaatsloosheid in de hand, terwijl het volgens hem heel belangrijk is "dat iemand een plek heeft en een omgeving die zijn bestaan mogelijk maakt en betekenis geeft". Goffe is dan ook een van de initiatiefnemers en schrijvers van een (nieuwe) Friese canon. "Maar dat is wel een geschiedschrijving met uitroeptekens én vraagtekens. Dus geen nostalgisch beeld van voormalige grootheid. Ik zie Willibrords Friese bisdom bijvoorbeeld niet als de oorsprong van Nederland. Ik pleit voor een speelse beschrijving van de geschiedenis van de complexe verhouding en verwikkelingen van het Friese gebied met Nederland, Europa en de wereld. Voor mij is het Noorden structureel een krimpland, waarin mensen, en dus ook onze kinderen, iedere keer weer een goede verhouding dienen te vinden tussen eigenheid en authenticiteit enerzijds en modernisering en innovatie anderzijds".
De discussie tussen Goffe en mij keert terug naar het thema landschap. "Het landschap", zo vertelt Goffe, "was in de 19de eeuw geen zelfstandig onderwerp voor literaire bespiegelingen. De Friese identiteit kreeg vooral vorm in relatie tot taal, geschiedenis en volkskarakter. Ik herinner me wel dat François Haverschmidt het Friese landschap omschrijft als koud, winderig en weerbarstig. Voor de boeren en de arbeiders was het, naar ik aanneem, een onherbergzaam gebruikslandschap. Een beslissende transitie in het perspectief op het landschap werd gevormd door de introductie van grote graafmachines. Voor de introductie van de bulldozer deed de openlegging en beheersing van het landschap letterlijk pijn; daarna was alles mogelijk, zelfs met geringe fysieke inspanning. En als je dan weet dat het grootste gedeelte van de bevolking ook niet meer als boer of arbeider op het land werkzaam is, dan begrijp je dat onze verhouding tot het landschap fundamenteel en onherroepelijk is veranderd". Goffe maakt de transitie voor me inzichtelijk door de oude en de nieuwe bewoners van het land(schap) van Friesland en Groningen te vergelijken met respectievelijk meubelmakers en antiquairs. "Wie", zo luidt zijn retorische vraag, "weet het meeste over een meubel?"
Verwijzingen: www.rug.nl/staff/g.t.jensma en Goffe Jensma, 2008: Kangoeroe naast kievit. Over beeldvorming en overdracht van Friese cultuur en geschiedenis, It Beaken 70, 23-40.
2. Interview met Rudy Westra
werkzaam op Lauwersoog bij de visserijcooperatie. Tevens bestuurslid van de historische reddingboot Gebroeders Luden en bestuurslid van de stichting promotie Lauwersoog.
"Van welke organisatie bent u?", zo vraagt Rudy Westra me als we plaats nemen aan een tafel in visrestaurant Waddenzeezicht op de dijk bij de haven van Lauwersoog. Ik bespeur een gereserveerde houding. Het wordt me meteen ook duidelijk waarom: "Er zijn ook zo veel buitenstaanders die zich met het gebied bemoeien. De een zegt dat, de ander dat. De ene regel valt over de andere heen. Het ene ministerie wil dit, het andere dat: er zit geen lijn in." Na enkele woorden over het doel van mijn reis blijkt Rudy gelukkig een openhartige en joviale gesprekspartner die me duidelijk maakt hoe hij en de visserijcoöperatie in de laatste jaren zijn omgegaan met de grote veranderingen in het gebied en de visserij.
"De veranderingen kan ik je gemakkelijk laten zien aan de hand van een aantal cijfers. Als we de omzet in gasolie niet meerekenen dan kennen we eigenlijk al jaren een omzet die iets onder de drie miljoen euro ligt. Het frappante is echter dat we enkele jaren geleden 85% van de omzet uit de professionele visserij haalden en 15% uit de toeristische vaart en de bruine vloot. Vorig jaar lag die verhouding echter fifty-fifty". Ik vraag Rudy wat ze gedaan hebben om in te spelen op die veranderende markt. "Toen we zagen dat de inkomsten uit de visserij daalden zijn we om ons heen gaan kijken. Ik en een vrouwlijke collega zijn in de auto gestapt en we zijn naar Harlingen gereden, daar ligt immers de bruine vloot en zijn veel toeristische wadvaarders te vinden. In de haven vonden we niemand die de spullen aanbood die in onze winkel te koop zijn. We zagen een gebouw leeg staan en drie weken later had onze coöperatie een tweede vestiging!" In het vervolg van het gesprek blijken Rudy en zijn collega's ook betrokken te zijn bij verschillende innovaties in de handkokkelvisserij. Vooruitlopend op mogelijke beperkingen voor de garnalenvisserij, is men bezig met technische voorzieningen die de bodemberoering verminderen. "Als iemand mij vraagt een probleem op te lossen, ken ik eigenlijk geen 'nee'."
Ik toon niet alleen interesse in Rudy's werk voor de coöperatie. Hij blijkt ook een drijvende kracht achter de instandhouding van de Gebroeders Luden, een roemrijke reddingsboot die tussen 1965 en 1996 eerst vanuit Oostmahorn en later Lauwersoog honderden (vissers)levens heeft gered. Na een verblijf van tien jaar in IJsland is de Gebroeders Luden in 2006 weer naar Lauwersoog teruggekeerd. Een stichting heeft tot doel het schip in stand en in de vaart te houden. Bij technische problemen of ijsgang vervangt de Luden zelfs het officiële reddingsvaartuig. "Voor enkele honderden euro's is het mogelijk om het schip voor twaalf mensen en voor vier uur te boeken om de as van een overledene op zee of op het wad te verstrooien. Dat is ongelofelijk dankbaar werk. Dat doet me echt wat. Ik beschouw het schip ook niet als ons bezit maar van het volk. Je moet natuurlijk wel zorgen dat de stichting uitkomt, maar je wil ook niet overal geld voor vragen". Ineens herken ik in zijn verhaal een thema dat ook tijdens een gesprek op Schiermonnikoog ter sprake kwam: de eisen en wensen van de moderne toerist. "We werken samen met het wadloopcentrum en hebben 'Wadlopen op maat' ontwikkeld: het is een combinatie van wadlopen, een bezoek aan een plaat, varen op de Waddenzee én een stukje varen op zee. Niemand wil tegenwoordig immers meer vijf of zes uur ploeteren door de modder!".
Tot slot vertelt Rudy over De dag van de Hollandse garnaal, dit jaar voor de vijfde keer, op 20 juni. "We vroegen ons af hoe we Lauwersoog konden promoten. Eigenlijk hebben we het afgekeken van De dag van de Zeeuwse mossel in Yerseke. We proberen de bezoeker een zo groot mogelijk assortiment vis te bieden. Het is allemaal wel low budget want er zitten hier maar twintig relatief kleine bedrijven en die hebben maar beperkte mogelijkheden tot sponsoring. Tegelijkertijd proberen we aan de bezoekers geen of weinig kosten door te berekenen. Je zit hier immers in een arme streek".
Als ik na het gesprek terugloop naar de bus besef ik dat Rudy een goed voorbeeld is van wat ik 's ochtends met Goffe Jensma besprak: de tegenwoordig zo typerende combinatie van een interesse voor de eigen cultuur en geschiedenis, de ontwikkeling van een op beleving en ervaring georiënteerd toerisme én aandacht voor technologische ontwikkeling en innovatie. Los van mijn oordeel hierover ben ik onder de indruk van de ondernemingszin, de creativiteit en het doorzettingsvermogen dat hierbij aan de dag wordt gelegd.
Verwijzingen: http://www.civ-lauwersoog.nl/, http://www.gebroedersluden.nl/, en http://www.promotielauwersoog.nl/