Spring naar hoofd-inhoud Skip to page footer

Reisverslag 31 maart

Interview met Herman Proper

conservator in vrijwillige dienst van het Kazemattenmuseum, Kornwerderzand

Vrijwillig

In het Kazemattenmuseum van Kornwerderzand ben ik nog nooit geweest. Ik weet daarom niet wat me te wachten staat als ik op een grijze dinsdagochtend op de Friese kop van de Afsluitdijk uit de bus van Leeuwarden naar Alkmaar stap. Van de halte naar het museum moet ik een route volgen die me over de snelweg en via een reeks van trappen tot twee keer toe over én onder dezelfde brug doorvoert. Al wandelend betwijfel ik of het museum wel goed bereikbaar is voor minder valide en oudere mensen.

In een oud dijkmagazijn van Rijkswaterstaat word ik op hartelijke wijze ontvangen door drie oudere mannen. Koffie en koek wordt geserveerd: één van de heren is vrijdag jarig. Mijn gastheer, zo blijkt, is er nog niet. Links naast me zit een vrijwilliger die verantwoordelijk is voor het onderhoud van twee oude dieselmotoren. Hij is met 63 jaar één van de jongste vrijwilligers. Binnen een kwartier schuiven rond de tafel nog negen andere vrijwilligers aan. De dinsdag blijkt een van de twee vaste dagen in de week te zijn waarop in de winter - het museum is van 1 november tot 1 april gesloten - een deel van de vrijwilligers zich verzamelt om groot onderhoud te plegen. Toevallig komt rechts naast me de oudste vrijwilliger zitten: 78 jaar. Als kleine jongen heeft hij met zijn vader op de dijk bij Hindeloopen gekeken naar het Duitse bombardement op de kazematten van Kornwerderzand. Hij beklemtoont hoe prettig hij het vindt om voor het museum te werken. "Ik heb geen zin om thuis van achter de vitrage te kijken wie er nu weer een nieuwe fiets of broek heeft aangeschaft!"

Herman Proper komt binnen en neemt me mee naar een klein kantoor op de zolder van het gebouwtje en steekt van wal. "Rijkswaterstaat heeft de verkeerssituatie op de brug hier twee jaar geleden ingrijpend gewijzigd. Men bleek echter geen weet te hebben van ons bestaan en ze hebben het oude pad over de brug zo smal gemaakt dat er door de nabijheid tot de snelweg een veel te gevaarlijke situatie ontstond voor onze bezoekers. Uit nood hebben ze toen die trappen bedacht". Hij verzucht dat iedereen wel het grote historische belang van de plek inziet en de waarde van het museum, maar dat als puntje bij paaltje komt Rijkswaterstaat - de eigenaar en beheerder van het gebied - onze aanwezigheid alleen maar ongemakkelijk vindt. "Ik heb lang genoeg bij de rijksoverheid gewerkt om te weten dat steun voor clubs zoals de onze niet tot hun core business behoort".

"We ontvangen hier ieder jaar zo'n 12 tot 13.000 bezoekers, een belangrijk deel daarvan zijn schoolklassen en groepen. Enkele duizenden bezoekers worden door ongeveer dertig vrijwilligers in groepen rondgeleid. Met gemak praten die twee uur vol".  Herman vertelt me dat de stichting zo'n zestig vrijwilligers heeft, meest mannen. "Hoe ben je zelf betrokken geraakt?", zo vraag ik. "Een aantal jaren geleden ben ik vanuit het Gooi naar Friesland verhuisd. Op een van de eerste dagen dat ik in mijn nieuwe dorp Koudum over straat liep werd ik aangehouden door een dorpsbewoner. 'Hé, jij bent nieuw hier: wil je bij het koor?' Nou, daar had ik geen zin in; ik kan helemaal niet zingen. 'Dan moet je vrijwilliger worden bij het Kazemattenmuseum'. Ik wist niet waar hij het over had, terwijl ik er zo vaak langs was gereden. Ik ben toen naar een vrijwilligersavond in Bolsward en naar het museum gegaan en trof daar een ongelofelijk goede sfeer. Toen was ik verkocht".

Herman vraagt me kort aan te sluiten bij een vergadering van een kleine commissie die bezig is met het opstellen van een nieuw beleidsplan. Dat biedt me de mogelijkheid om te vragen naar de toekomst van het museum. Hoe gaat men bijvoorbeeld om met het toenemende aantal regels met betrekking tot veiligheid en museum- en collectiebeheer? Het bestuur en alle vrijwilligers, zo teken ik op uit de monden van de leden van de commissie, zijn unaniem: verbeteren, ja; het inrichten van een kleine en betaalde professionele organisatie, nee. Dat vereist niet alleen veel meer inkomsten en subsidie maar zou ook een einde maken aan de zeer platte organisatie waarin alle vrijwilligers zich juist zo op hun plaats voelen.  

Het beleidsplan blijkt zich vooral uit te spreken over het doel van het museum: educatie. In mijn gesprek met de commissie rolt wordt het ene na het andere voorbeeld gegeven waaruit blijkt dat de kennis van de gemiddelde bezoeker over de Tweede Wereldoorlog ver onder de maat is. "Er zijn goede uitzonderingen, maar het onderwijs faalt. Neem nou zo'n kind van twaalf dat vraagt of álle geallieerden zich tegen de Duitsers keerden en of dat niet heel zielig is!". Bij het afscheid meldt Herman me dat ze geprobeerd hebben subsidie te verwerven voor interviews met mensen die de Wonsstelling hebben gekend, in het voorland van de kazematten bij Kornwerderzand. "Ik ben daar helemaal op afgeknapt. Onze organisatie kan het gevraagde papierwerk helemaal niet leveren. Ze wilden zelfs weten welke vragen we zouden gaan stellen. Alsof je met alle emoties rond de oorlog een interview zo kunt sturen".
 
Verwijzingen: www.kazemattenmuseum.nl

2. Interview met Kees van der Bos en Jan Idsardi

agrarische ondernemers in Holwerd/Ternaard en lid van de Vereniging Ecolana

License to produce

'Ecolana is een samenwerkingsverband van vier agrariërs in het gebied tussen Ternaard en Holwerd. Ik lees op de website dat de deelnemers samen "een gemengd bedrijf willen vormen, waarin voedselveiligheid, kwaliteit, dierenwelzijn, milieu, natuur en recreatie centraal staan". Kees en Jan, beiden akkerbouwer, hebben deze ambitie in 2001 geformuleerd, samen met twee collega's die respectievelijk rundvee en schapen houden. "Waarom hebben jullie Ecolana opgericht en waar staan jullie nu?", zo vraag ik Kees en Jan. Kees: "Het was ons eind jaren negentig duidelijk geworden dat de samenleving steeds kritischer kwam te staan ten opzichte van de traditionele, grondgebonden landbouw. We hebben ons toen als doel gesteld binnen vijftien jaar een bedrijfsvorm te ontwikkelen die zou kunnen rekenen op breed maatschappelijk draagvlak, een license to produce. We hadden grootste plannen en de provinciale politiek had bij ons forse financiële verwachtingen gecreëerd. Van subsidiëring kwam echter niets terecht want ons initiatief paste toen in geen enkele regeling of programma! Dat was een enorme teleurstelling, maar achteraf denk ik dat het goed is geweest. We hebben stap voor stap onze ideeën kunnen uitwerken en uiteindelijk hebben we in partjes een flinke hoeveelheid subsidie gehad. Belangrijker was echter de kennis die ons door een reeks van enthousiaste supporters beschikbaar is gesteld".  

Oorspronkelijk, zo lees ik op de website, bestond het plan met vier bedrijven een kringloop voor voer, mest en grond te realiseren die voor 80% gesloten is. Wat is daarvan terecht gekomen? Opnieuw Kees: "Je verrast me met die uitspraak, die was ik vergeten, maar dat was inderdaad onze oorspronkelijke doelstelling. Als het gaat om de mest is ons dat onderling gelukt, we hebben samen zelfs ruimte voor de afzet van mest van buiten onze groep. Ik denk dat we als eerste in Nederland een oplossing hadden voor de nieuwe mestregels. Het probleem ligt, denk ik, bij het veevoer. Mijn collega met rundvee koopt nog steeds forse hoeveelheden krachtvoer: wij kunnen met onze granen niet op tegen de lage wereldmarktprijzen. Voer uit bijvoorbeeld Brazilië is goedkoper dan wat wij produceren. Maar als je kijkt naar onze mineralenbalans zitten we toch in de buurt".

Kees en Jan maken me tijdens het gesprek duidelijk dat hun samenwerking niet alleen op dat soort 'harde' doelen afgerekend moet worden. Kees: "Er komen zo veel veranderingen op je af, dat kun je niet alleen aan. Daar zit de waarde van de samenwerking, We maken gebruik van elkaars kwaliteiten". Jan vult aan: "Je kunt je wel met veel energie verzetten tegen nieuwe regels en nieuw beleid maar dat levert vrijwel nooit iets op. Op z'n best kun je soms wat bijschaven. Dus hebben we gezegd: we laten ons niet in het defensief drukken; we denken mee met de trend. Dat betekent dat je op zoek gaat naar politieke steun, naar mensen met kennis maar ook dat je bij je idee- en planvorming potentiële tegenstanders uitnodigt, juist ook uit de hoek van de natuur- en milieubescherming.

De moeilijkste stap lag voor de deelnemers eigenlijk helemaal bij het begin. In het boerenbedrijf is al sinds decennia sprake van een hoge mate van specialisatie, waardoor het moeilijk is geworden over de grenzen van de verschillende specialismen heen te kijken. Een gemeenschappelijk bouwplan veronderstelt echter dat je in elkaars keuken kijkt. Dat ligt gevoelig ook al werkten de vaders van Kees en Jan al tientallen jaren samen op het gebied van machines en arbeid. De boeren van Ecolana hebben daarbij geprofiteerd van een buitenstaander, een expert op het gebied van bodems die voor allen interessant was. Hij bood bij een gemeenschappelijk bezoek aan alle akkers en weilanden inzicht in de structuur en samenstelling van de bouwvoor en kwam met voorstellen voor de bewerking ervan. Toch blijkt er tijdens het gesprek wel degelijk sprake van een taboe. Veel is onderling bespreekbaar maar men bemoeit zich niet met de investeringen die behoren tot het eigen specialisme. Terwijl individuele risico's toch kunnen doorwegen in het succes van het samenwerkingsverband.

Ik vraag Kees en Jan dan ook naar de mogelijkheid dat het samenwerkingsverband in de toekomst één bedrijf gaat vormen. "Zo is het inderdaad een keer in de krant gekomen", meldt Jan. "Maar dat is absoluut niet de bedoeling want het heeft geen extra voordelen en er is helemaal geen noodzaak toe". Beide heren sluiten echter niet uit dat erfopvolging in de toekomst om nieuwe antwoorden vraagt. Kees: "We hebben wel te maken met een noodzaak om door te groeien, en dan gaat het om forse hoeveelheden grond. Er zal ongetwijfeld aanbod zijn maar aankoop is voor ons geen gemakkelijke zaak. Daarom zijn we nu bezig met een grondfonds waarvan de basisgedachte is dat investeerders rendement halen door een jaarlijkse 'pacht' en een fiscaal voordeel omdat het 'groene' grond betreft. "Dat wil zeggen: onze zorg voor de grond betekent dat natuur- en cultuurhistorische waarden in stand blijven. De eigenaren weten ook om welk stuk grond het gaat?. De leden van Ecolana hebben al vier jaar geleden hun ideeën voor zo'n fonds met een grote groep boeren, politici en beleidsmakers gedeeld, maar er is nog weinig voortgang geboekt. Hoewel: "We mogen", zo vertelt Kees enthousiast,"op 24 april onze plannen presenteren voor de vaste Kamercommisie en ons is beloofd dat minister Verburg het mee zal nemen in het kamerdebat over de vergroening van het belastingstelsel".   

Verwijzingen: www.ecolana.nl