Zeeklei aan de wand

Door: Tim van Oijen
Datum: 13 oktober 2016

Dankzij de overvloedige beschikbaarheid van de grondstof klei kent aardewerk in het Noord-Nederlandse kustgebied een lange historie. Vanaf het eind van de zestiende eeuw maakten de zogeheten glei- of plateelbakkerijen van Harlingen, Makkum en Bolsward furore met tegels, tegeltableaus en sieraardewerk. In de achttiende eeuw werden in opdracht van walvisvaarders van Duitse en Deense Waddeneilanden schitterende scheepstableaus gemaakt.

Het vervaardigen van siertegels werd in Nederland in de zestiende eeuw sterk beïnvloed door ontwikkelingen in Antwerpen. Deze stad was toen een middelpunt van wetenschap, kunst en cultuur en trok veel handwerklieden waaronder pottenbakkers uit Italië. Hun vaardigheid in het maken van ornamentele tegels werd overgenomen door Nederlandse aardewerk- en tegelbakkerijen in onder andere Delft, Utrecht en Gouda. Enkele Hollandse plateelbakkers vestigden zich in Harlingen. De Harlinger tegels vertoonden daarom in de beginjaren nog veel gelijkenis met de Hollandse. Later ontwikkelden de gleibakkerijen in Friesland, ook die in Makkum en Bolsward, meer een eigen stijl.

Schepentableaus

De tegels werden volgens de majolica-techniek vervaardigd. Hierbij werd de schildering op een reeds geglazuurde tegel aangebracht en vervolgens opnieuw gebakken. De naam majolica is een verbastering van Mallorca. Dit Spaanse eiland in de Middellandse Zee was in de Middeleeuwen het centrum voor de productie van dit type aardewerk. Voor het beschilderen werd eerst met een spons een decor op de tegel aangebracht. De spons is een sjabloon met een decortekening waarvan de contourlijnen fijn doorgeprikt zijn. Deze spons werd op de vochtige glazuur gelegd en met houtskoolpoeder bestoven. Ook al lag het decor dus al vast, toch kon een schilder een eigen, herkenbare stijl toevoegen bij het beschilderen.

Door de eeuwen heen werkten in meerdere Harlinger bakkerijen vele schilders aan de tegelversiering, waaronder Pals Karsten (ca. 1723 tot na 1775). Hij was werkzaam in de fabriek van de familie Spannenburg en werd bekend door de aandacht die hij had voor de detaillering van de voorstellingen op zijn tableaus. Vanaf 1740 zijn in Friesland vele schitterend uitgevoerde schepentableaus gemaakt. Een deel daarvan werden in opdracht gemaakt van schippers woonachtig op de Duitse en Deense kusteilanden, die op de Hollandse Koopvaardij en de walvisvaart aanmonsterden. Na goed verlopen tochten bestelden de schippers een tableau met een voorstelling van een bepaald schip. De naam van het schip en soms ook van de schipper werden erop vermeld. Enkele van deze schepentableaus zijn nog op deze eilanden en ook in de Noord-Duitse en Deense musea te zien.

Art Nouveau

Aan het begin van de twintigste eeuw zorgde de opkomst van Art Nouveau/Jugenstil voor een stevige impuls in de markt voor decoratieve tegels. Er werden door de plateelbakkerij van familie Jan Van Hulst veel tegels voor gebouwen met deze stijl vervaardigd, die in onder andere Leeuwarden, Franeker en Harlingen nog te bewonderen zijn. Het tegelbakken stopte in Harlingen in 1933 voor lange tijd na de sluiting van de bakkerij van Van Hulst. In Makkum bleef het familiebedrijf Tichelaar wel tegels maken. In de jaren zeventig werd het produceren van aardewerk in Harlingen nieuw leven ingeblazen door de oprichting van de Harlinger Aardewerk- en Tegelfabriek. De fabriek is tot op de dag van vandaag actief en was deze zomer nog in het nieuws omdat er een tegeltableau was voltooid van maar liefst 25 vierkante meter. In 2014 vervaardigde de fabriek tien grote herinneringstegels ter ere van de toevoeging van het Deense deel van de Waddenzee aan het UNESCO Werelderfgoed.